prins alexander

 

Hoe ging de drooglegging van de “Ommoorden” en omgeving in zijn werk?  In de eerste helft van de 19de eeuw lagen ten noordoosten van Rotterdam uitgestrekte plassen die langzamerhand door vervening waren ontstaan. Zij werden in grote trekken begrensd door de Rotte in het Noordoosten, de Eendragtspolder en de Zuidplaspolder in het Noorden en ‘s-Gravenweg, een rijweg van Gouda naar Rotterdam in het Oosten, Zuiden en Zuid-Oosten.

Foto boven: polderkaart van W.H. Hoekwater uit 1901

Hoekwater polderkaart - Prins Alexanderpolder.PNG

De plattegrond toont het hoogheemraadschap van Schieland dat is ontstaan in 1273. De plattegrond is vervaardigd in 1654 door Jan Jansz Stampioen de Oude.

 

Dorpjes en polders

Het waterschap Schieland lag tussen Rotterdam, langs de Hollandse IJssel met de Schielands Hoge Zeedijk, naar Gouda, langs de Gouwe naar Zoetermeer en dan terug naar Rotterdam. Interessant om te zien op deze plattegrond zijn de verschillende dorpjes en polders die later door Rotterdam geannexeerd zullen worden. Voorbeelden op de plattegrond zijn Delfshaven, Cralingen, Kattendrecht, de Blydorpse Polder, het Ambacht van Schoonderloo en Cool, en Hillegers Bergh.

Jan Jansz Stampioen

De plattegrond is vervaardigd door de cartograaf Jan Jansz Stampioen de Oude, niet te verwarren met zijn zoon Jan Stampioen Jr. de wiskundige die in 1653 overleed.

Deze plassen, die lagen onder de gemeenten of ambachten Nieuwerkerk aan den IJssel, Zevenhuizen, Capelle aan den IJssel, Kralingen en Hillegersberg, werden vroeger door wegen verdeeld in ongeveer vijftien afzonderlijke kommen, welke kommen nog duidelijk zijn te onderscheiden op de kaart van Stampioen uit 1653.

Onder Nieuwerkerk aan den IJssel lagen behalve een gedeelte van de Wollefoppenplas drie kommen, n.l. de Achter-Esse of Vink, de Voor-Esse en de Blaardorpscheplas. Deze drie plassen besloegen een gezamenlijke oppervlakte van ruim 410 ha. Onder Zevenhuizen lag het grootste deel van de Wollefoppenplas. Deze plas was bijna 490 ha groot en lag voor de rest ook onder Nieuwerkerk aan den IJssel, Capelle aan den IJssel en Hillegersberg. De grensscheidingen tussen die vier ambachten verenigden zich ongeveer in het midden van de plas, waar het Schollevaarseiland lag.

Onder Capelle aan den IJssel lagen de plassen Hoogdorp, Middelmolen en Keten, met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 450ha. De bemaling gebeurde door vier schepradmolens op den IJssel.  De plassen onder Kralingen bestonden uit vier kommen, n.l. de Zuidplas, de Middenplas, de nog bestaande Noordplas en de Achterplas. Deze Kralingse plassen hadden een gezamenlijke oppervlakte van ruim 575 ha
en werden bemalen door drie molens.

Onder Hillegersberg lagen vier plassen: Ommoorden, Achter- of Klein Ommoorden, Bospolder en Spiegelnisse met Achter Rubroek. De drie eerstgenoemde plassen waren bijna 820 ha groot. De bemaling  geschiedde door twee molens op de Rotte. Ommoorden en Bospolder vormden samen het deel Rotteban van het ambacht Hillegersberg en Rotteban.

Historische Commissie “De Ommoordse Polder” – Cie. Droogmaking Kleine Plassen Schieland

2 of 4

De plas Spiegelnis besloeg een oppervlakte van ongeveer 185 ha. Hij bestond uit het eigenlijke Spiegelnisse
of Kleinpolder en Achter Rubroek. Deze plas was de meest Westelijke en tegelijk de laagste van alle
genoemde plassen. De bemaling gebeurde door een molen op de Rotte. De inlijving van Achter-Rubroek bij
Spiegelnisse had plaats bij de aanleg van de Hoge Boezem van de Rotte.
Voor de droogmaking van de Zuidplas, die in 1840 werd voltooid, is het niet bekend dat er enig plan heeft
bestaan om de bovengenoemde plassen, bekend onder de naam “kleine plassen in Schieland”, droog te
maken.
Toen echter de Zuidplas met succes was drooggemaakt, zag men in, dat dit misschien ook zou kunnen
gebeuren met de ten Westen daaraan grenzende Kleine Plassen.
ONTWERPPLANNEN EN BEGROTINGEN
In 1843 werd de Fabriek-Landmeter van Schieland, J.A. Scholten Hzn., door Dijkgraaf en Hoogheemraden
van Schieland opgedragen, een plan tot droogmaking van de plassen op te maken. Het ontwerp van Scholten
omvatte alle genoemde plassen behalve Spiegelnisse en de Kralingse Noordplas en bestreek een oppervlakte
van 2663 ha. De hogere besturen hadden echter bezwaren tegen dit ontwerp en de zaak bleef rusten tot 1850.
In dat jaar werd door Jhr.mr. W.Th. Gevers Deynoot en J. Cudorp Kortebrant aan de Regering een nieuw
voorstel gedaan, dat inhield de bedijking en droogmaking van de plassen onder Hillegersberg en Kralingen
ter grootte van 1386 ha, weer met uitsluiting van Spiegelnisse en de Noordplas. Ook dit plan stuitte op
bezwaren, zodat de zaak voor nader onderzoek in handen werd gesteld van een Commissie, die bestond uit de
Dijkgraaf en de Fabriek-Landmeter van Schieland, twee ingenieurs van de Waterstaat en een lid van
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland als voorzitter. Het door die Commissie in november 1851 uitgebracht
rapport beoordeelde het aangeboden ontwerp over het algemeen niet ongunstig. Bij K.B. van 1 juni 1852 no.
68 werd voor het uitvoeren van het ontwerp concessie verleend, maar men begon niet aan de uitvoering
omdat o.a. Kralingen bezwaren had. Het plan werd nu gewijzigd en werd weer onderworpen aan het oordeel
van een bij K.B. van 13 januari 1856 no. 64 benoemde Commissie, die dit gewijzigde plan goedkeurde.
Omdat de combinatie, die de concessie in handen had in 1857 verklaarde er vanaf te zien, bleef de uitvoering
echter opnieuw achterwege.
Nu besloot de Regering zelf een ontwerp tot droogmaking van alle plassen tussen Rotterdam en Gouda te
laten maken. De opdracht hiertoe kreeg de ingenieur van de Waterstaat N.T. Michaëlis. Deze diende een
ontwerp in, maar de Hoofd-Ingenieur van de Waterstaat in Zuid-Holland, Beijerinck, kon zich met een paar
hoofdpunten van dit ontwerp niet verenigen. Beijerinck werd daarop zelf belast met het samenstellen van een
herzien plan, waaraan hij in november 1859 voldeed. Dit plan begreep de Spiegelnisserplas binnen de
bedijking, maar sloot daarvan uit de Kralingse Noordplas en een gedeelte van de Ommoordse plas
aansluitende aan het Nessepoldertje en gelegen langs de Rottekade. De droogmaking zou een oppervlakte
omvatten van 2660 ha. Men schatte het tekort op de onderneming of f 517.700,–, waarin zou moeten worden
voorzien door Rijks- en provinciale bijdragen.
Zowel de Regering als het provinciaal bestuur bleken in beginsel bereid de zaak financieel te steunen, maar
aanvankelijk wilde geen van beiden zich met de uitvoering belasten. Inmiddels had Schieland bedenkingen
gemaakt tegen het plan van Beijerinck. Een en ander gaf aanleiding tot een conferentie tussen
gecommitteerden uit Gedeputeerde Staten en uit het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van
Historische Commissie “De Ommoordse Polder” – Cie. Droogmaking Kleine Plassen Schieland
3 of 4

Schieland. Deze conferentie had tot gevolg dat Gedeputeerde Staten Dijkgraaf en Hoogheemraden
uitnodigden om aan de Verenigde Vergadering voor te stellen het werk van de droogmaking te laten
uitvoeren voor rekening van Schieland, tegen toekenning van een bijdrage van Rijk en Provincie ten bedrage
van f 517.700,–. De Verenigde Vergadering nam dit voorstel niet aan. Toen bleek, dat noch het Rijk, noch de
Provincie, noch Schieland als ondernemer van de droogmaking wilde optreden, stelde de Koning op voorstel
van Provinciale Staten weer een Commissie in om het plan van Beijerinck nader te onderzoeken en met name
over de financiële kant van de zaak rapport uit te brengen. Dit rapport, dat 4 februari 1863 werd uitgebracht,
beval de uitvoering van het plan Beijerinck aan.
In de droogmaking zouden worden opgenomen de plassen van Nieuwerkerk aan den IJssel, Capelle aan den
IJssel, Kralingen (behalve de Noordplas), Spiegelnisse, Wollefoppen, Bospolder en Ommoorden, met
inbegrip van het hogere gedeelte langs de Rotte.
Het tekort werd nu geschat op f 491.687,–. Voorgesteld werd, dat het Rijk en de Provincie
gemeenschappelijk en elk voor de helft de onderneming op zich zouden nemen. Inderdaad gebeurde dit: op
de Staatsbegroting voor 1864 werd voor het eerste jaar als aandeel van het Rijk in de droogmaking een som
van f 288.000,– uitgetrokken, terwijl Provinciale Staten de 24e juli 1863 besloten tot het aangaan van een
lening van f 1.000.000,– tot bestrijding van de droogmakingskosten voor zoveel het aandeel van de
Provincie betrof. Instelling van de commissie.

INSTELLING VAN DE COMMISSIE

Bij K.B. van 25 april 1864 no. 43 werd nu ingesteld een Commissie van beheer en toezicht over de
droogmaking der kleine plassen in Schieland beoosten Rotterdam, waartoe benoemd werden: als voorzitter
Mr. R.J.C. Metelerkamp, lid van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, als leden Mr. J.A. Vaillant,
Dijkgraaf van Schieland, J. Brost Azn., Hoogheemraad van Schieland en J.A. Beijerinck, Hoofd-Ingenieur
van de Waterstaat in Zuid-Holland. Tot secretaris werd benoemd A. van de Velde Azn., terwijl Jhr. W.J.
Backer bij de droogmaking als Eerstaanwezend Ingenieur fungeerde.
Ondertussen waren de plassen en hogere gronden die binnen de droogmaking zouden worden getrokken en
die nu deel uitmaken van de polder Prins Alexander binnen de grenzen gebracht van inmiddels
gereglementeerde polders.
Geheel binnen de grenzen van de tegenwoordige polder Prins Alexander lagen: de polder Wollefoppen onder
Hillegersberg, Zevenhuizen, Nieuwerkerk aan den IJssel en Capelle aan den IJssel; de polder Ommoorden en
Bospolder onder Hillegersberg, Kralingen en Capelle aan den IJssel; en de Nessepolder onder Zevenhuizen
en Hillegersberg. Gedeeltelijk binnen de grenzen van de tegenwoordige polder Prins Alexander lagen: de
Esse-Gansdorp- en Blaardorpsche polder onder Nieuwerkerk aan den IJssel; de Gecombineerde Polders in
Capelle aan den IJssel; de polder Kralingen onder Kralingen; en de polder Rubroek en Spiegelnisse onder
Rotterdam.

ONTEIGENING PERCELEN
Bij de wet van 22 december 1865 werd de noodzakelijkheid verklaard van onteigening ten
algemenen nutte van de in het droogmakingsplan begrepen percelen. De eindaanwijzing van de te onteigenen
percelen vond plaats bij K.B. van 26 maart 1866. Van de 322 eigenaren gingen 317 over tot minnelijke
schikking, terwijl van de 5431 te onteigenen percelen slechts zeer weinigen langs de wettelijke weg moesten
worden onteigend. Nadat definitief was besloten tot opneming in het droogmakingsplan van het boven
Historische Commissie “De Ommoordse Polder” – Cie. Droogmaking Kleine Plassen Schieland
4 of 4

genoemde hoge gedeelte van Ommoorden, ruim 130 ha groot, werden ook de gronden, behorend tot dit
gedeelte, van hun twintig eigenaren aangekocht.
De droog te maken plassen besloegen een gezamenlijke oppervlakte van ruim 2700 ha.
Zij zouden geheel omgeven worden door een ringdijk. In 1871 kon worden begonnen met het graven van de
hoofd- en lengtetochten in de droogmakerij. De 27e mei van dat jaar vond de eerste verhuring van
drooggelegde gronden plaats.

Inmiddels was tussen de Staat der Nederlanden en de Provincie Zuid-Holland als ondernemers van de
droogmakerij ener- en het Hoogheemraadschap van Schieland anderzijds een conflict ontstaan over de
heffing van het Hogeboezemgeld van de ingedijkte gronden en wateren, vroeger op de Rotte uitslaande. Na
veel onderhandelen eindigde dit conflict in 1871 met de betaling door de ondernemers aan het
Hoogheemraadschap van een afkoopsom ineens van f 2.400,–. In de vergadering van Provinciale Staten in
de zomer van 1873 boden Gedeputeerde Staten een ontwerp-reglement voor de nieuw gevormde polder aan,
maar pas in de daaropvolgende herfstvergadering werd dit reglement vastgesteld. De Koning had er reeds bij
kabinet-schrijven van 31 mei 1873 in toegestemd, dat aan de nieuwe polder de naam zou worden gegeven:
“Polder Prins Alexander”.

De verkoping van de drooggemaakte gronden vond plaats in vijf verkopingen tussen 17 april 1874 en 28
maart 1875. Het tekort op de onderneming bedroeg f 452.157,41, dus bijna f 40.000,– minder dan was
geraamd.

OPHEFFING VAN DE COMMISSIE
De Staatscommissie kon 1 november 1875 het beheer over de droogmaking overdragen aan het inmiddels
gekozen polderbestuur. Bij K.B. van 15 december d.a.v. werd de genoemde Commissie met ingang van 1
januari 1876 ontbonden.

Litteratuur
• Jhr. L.F. Teixeira de Mattos: De waterkeeringen, waterschappen en polders van ZuidHolland.

 

Bronnen: Historische Commissie “De Ommoordse Polder” – Cie. Droogmaking Kleine Plassen Schieland
1 of 4
De Commissie van beheer en toezicht over de droogmaking der
kleine plassen in Schieland beoosten Rotterdam
Historische Commissie “De Ommoordse Polder”
V1.0 03-08-2017
Auteur: P. Ernsting
Nationaal Archief, Den Haag 1958
NL-HaNA_3.02.29.02.ead
EERSTE HELFT 19E EEUW